Zomersnoei
Lente. Eens de temperaturen voldoende hoog zijn gaat het snel. Op een paar dagen tijd lopen de nieuwe scheutjes uit tot twijgjes van meer dan tien centimeter lang. Bij sommige soorten toch. Bij dennen zijn het de kaarsen die op lengte komen en nieuwe naalden ontwikkelen. Opeens lijken heel wat bonsai een dubbel volume te ontwikkelen en gaan ze zelfs een beetje meer op struiken gelijken dan wel op bonsai.
Zomersnoei dringt zich op. Er begint een periode met veel onderhoudswerk.
Eigenlijk zouden we moeten spreken over ‘einde eerste groeispurt groei’. De periode voor half juni kenmerkt zich door een zeer snelle groei. Alle knoppen lijken wel haast te hebben om meer takjes, bladeren, naalden, … te produceren. We noemen dit de groeispurt. Dit vertraagt naarmate die nieuwe groei, vooral de bladeren of naalden dan, zijn normale grootte en kleur haalt. En dat is, afhankelijk van de soort, ergens vanaf half mei tot begin juli.
Een blog over het hoe, wat, wanneer en hoe. In de antwoorden spelen soort en ontwikkelingsfase van de bonsai een hoofdrol.
Principes
Voor we beginnen met snoeien of nijpen moeten we ons eerst een paar dingen afvragen. Die ‘dingen’, principes, bepalen wat we kunnen of moeten doen en, ook belangrijk, wanneer.
Het gaat om
- gezondheid en vitaliteit
- de soort
- de fase waarin de boom verkeert
Gezondheid, vitaliteit
Zomersnoei, terugnijpen van kaarsen en schubben zijn ingrijpende ingrepen. Met de winterreserve kon de boom de knoppen doen uitlopen en het nieuwe groeiseizoen opstarten. Het nieuwe groen zorgt voor een extra fotosynthese. Voor meer productie van cellen die de boom verder doen ontwikkelen.
Door te snoeien of te nijpen nemen we een deel van die ‘productie’ weg. We verplichten de boom om slapende knoppen aan te spreken en dat vraagt energie.
Voor een gezonde boom mag dat geen probleem zijn. Bij bomen die zwak zijn, door ziekte of langdurige ondervoeding (geen voedsel, veel te lang geleden dat de boom verpot werd, …, … ) kan dat problemen opleveren. Takken sterven of de boom gaat zelfs helemaal dood.
De soort
Het wat en het hoe van snoeien en nijpen hangt volledig af van de soort.
Voor elke soort moet je je afvragen: ‘hoe reageert deze boom op de ingreep?’
Een voorbeeld. Bij een Taxus mag je zo nodig alle groen van een tak wegnemen. Er komen zeker nieuwe scheuten te voorschijn. Bij een Pinus ligt dat anders. Daar moeten er altijd krachtige knoppen overblijven, zo niet, gaat de tak dood.
Dit speelt ook voor bloei en het dragen van vruchten. Foutieve snoei kan zorgen voor een seizoen zonder bloemetjes. Wat botanische kennis is zeker nodig.
Fase van ontwikkeling
Een jonge plant die nog stamdikte moet krijgen en een goed gestel verwerven heeft een totaal andere snoei nodig dan eentje dat enkel nog verfijning en onderhoud nodig heeft.
Het basisprincipe is eenvoudig. Hoe dichter de boom bij zijn finale vorm komt, hoe sneller op het seizoen men moet ingrijpen. Voor bomen die nog in de opstart zitten is het zelfs vaak aangeraden om helemaal niet in te grijpen gedurende het hele groeiseizoen. Bij die planten zal men pas selecteren en takken inkorten in het begin van de winter.
Opbouw gestel
Laat vrij uitgroeien en grijp pas in op het einde van het groeiseizoen. Soms laat men enkele takken en de top vrij uitgroeien zodat ze nog sneller aandikken. Het principe van de offertak dus.
In deze fase is er eigenlijk geen sprake van zomersnoei.
Opbouw takkenstructuur
Doel is om goede gesteltakken en vooral om veel fijne secundaire gesteltakken te ontwikkelen.
De boom mag vrij lang, vaak tot begin juni, uitgroeien. Pas daarna gaat men selecteren in de nieuwe groei en uiteraard zal men inkorten. In feite bouwt men dan, in grove lijnen, de vorm van de toekomstige kruin op.
Selecteren is in die fase belangrijk, zeker bij loofbomen. De meeste soorten ontwikkelen veel nieuwe scheuten, ook daar waar men die absoluut niet nodig heeft. Denk aan extra twijgjes op de stam of in de oksel van bestaande takken. Controleer zeker ook de top. De groei is daar het krachtigst.
Opbouw fijne vertakking, onderhoud
De boom is in feite ‘klaar’, of bijna toch. We willen de verfijning in stand houden en zo nodig het teveel aan loof en twijgjes uitdunnen. Deze ingreep doet men al zeer snel na het uitlopen, in hoofdzaak bij de loofbomen. Tegelijk corrigeert men de vorm van de kruin door te plukken in functie van de contouren.
Daar waar van toepassing zal men korte naalden of kleine naalden uitlokken of behouden.
Knippen of nijpen?
Dit maakt in feite niet uit. Zelf ga ik altijd voor nijpen. Nieuwe groei weghalen met duim en wijsvinger dus. In het seizoen laat ik zelfs de nagel van mijn rechter duim uitgroeien om een ‘scherper mes’ te hebben.
Mijn voorkeur gaat dus naar nijpen. Het gaat sneller en is nauwkeuriger.
Maar … als de nieuwe groei te taai geworden is, werk ik met een scherpe schaar. Ik wil namelijk de scheuten niet beschadigen. Een zuivere snoeiwond laat het minste sporen achter. Bij het inkorten van kaarsen bij bijvoorbeeld Pinus thunbergii en P. sylvestris gebruik ik een schaar. Zo niet krijgt men meestal rafelige snoeiwonden.
Wat dus voor jou werkt zonder schade te berokkenen, is hoe dan ook ok.
Bladsnoei
Bladsnoei is de techniek waarbij men alle bladeren weghaalt, of toch het grootste deel ervan. In de regel haalt men het hele blad weg, maar soms, bv. bij bladeren met een zeer kort steeltje, kan men een klein beetje van de bladschijf laten staan.
Bedoeling is om kleinere bladeren te verkrijgen. Na de bladsnoei gaat de boom meer en kleinere blaadjes ontwikkelen.
Wanneer past men de techniek toe? De regel is eenvoudig. Eens het nieuwe blad zijn normale kleur en grootte heeft (of bijna toch) haalt men alle bladeren weg. Eventueel blijven de allerkleinste staan.
Soms volstaat het om enkel een deel van de kruin aan te pakken, bijvoorbeeld de top omdat die vaak de sterkste ontwikkeling heeft.
Bij sommige soorten kan dit zelfs twee keer per seizoen. Zorg er echter voor dat er na de bladsnoei nog voldoende tijd overblijft voor de plant om nog nieuwe bladeren te ontwikkelen. Zelf pas ik dat niet meer toe na juli.
Hou ook rekening met de soort. Niet alle soorten verdragen bladsnoei. Het is trouwens ook niet nodig bij soorten die uit zichzelf kleine blaadjes hebben.
Japanse esdoorn reageert heel fors op bladsnoei. Er ontstaan veel meer blaadjes dan ervoor. Bovendien lopen er heel wat extra twijgjes uit. In die mate zelfs dat men in veel gevallen zal moeten uitdunnen.
Belangrijk is ook dat het uitlopen niet gelijkmatig verloopt. In de top zullen er eerst en meest blaadjes en twijgjes komen. Dit is vooral het geval bij shohin en kifu maten.
Dun daar onmiddellijk uit zodat ook de rest van de kruin behoorlijk gaat uitlopen.
Juniperus met schubben
Pluk met duim en wijsvinger de nieuwe en prille scheutjes weg. Gebruik nooit een schaar, dat levert bruine punten op.
Langere uitgroei is taaier (foto boven), daarvoor gebruik je wel een schaar. Ga met de punt van de schaar tot in de kruin en knip daar zonder ander loof te beschadigen.
Controleer tegelijkertijd of de kruin niet te compact wordt en haal desnoods hele plukken loof weg.
Denk er ook aan dat dit niet enkel gaat over de beheersing van de nieuwe groei maar ook over verfijning van de vormgeving. Werk tijdens het plukken de contouren van de loofpartijen bij. Ook de onderzijde? Deze ingreep is de noodzakelijke ‘finishing touch’ bij schub-coniferen.
Lork
Een lork met een voldoende compacte kruin maakt in het voorjaar uitlopers die her en der verschijnen en niet allemaal op hetzelfde ogenblik.
Kort deze in van zodra ze meer dan 5 cm lang zijn. Wacht men langer dan worden ze taai en moet men knippen.
Volg dit proces gedurende ongeveer drie weken.
Al snel na de ingreep zullen er kleinere minder forse scheutjes ontstaan. Laat deze staan tot ze de normale kleur hebben en kort alleen in als ze de contouren van de loofpartijen verstoren.
Het loof wordt dan al snel te compact. Geen probleem, wacht tot na de naaldval om, zo nodig, een beetje uit te dunnen.
De meeste van de lichtgroene nieuwe scheuten zullen de contour verstoren, kort dus zeker in.

Appel
Appels en sierappels ontwikkelen direct na de bloei zeer krachtige scheuten. Bij gevormde bomen haalt men die best onmiddellijk weg. In het tweede voorbeeld gaat het om een boompje dat nog in opbouw is, daar mag men langer wachten om bv. dikkere takken te krijgen. Uiteindelijk kort men toch in om de boom tot fijnere vertakking te dwingen.
Acer palmatum
De Japanse esdoorn is een beetje een verhaal apart. Eerder bekeken we reeds de bladsnoei. Deze boom zit nog niet zover. De vertakking moet nog beter.
Daarom worden meerdere ingrepen tegelijk gedaan. Kort eerst alle nieuwe scheuten sterk in. In de regel tot op twee blaadjes. Haal vervolgens het teveel aan takjes weg.
En vanaf hier wordt het erg belangrijk. De juiste selectie draagt bij tot de vormgeving. Kies, als er een zijtakje boven én onderaan de tak zit, steeds voor het onderste. Dat resulteert in een natuurlijke hoekig-golvende taklijn. Bij links-recht geplaatste takken, esdoorn heeft steeds overstaande takken, kiest men afwisselend voor he linkse en daarna voor het rechtse takje. Dat geeft een beter ritme in de takstructuur.
Tenslotte. Door deze snoei krijgt men een beter zicht op de opbouw van de kruin. Haal ook zwaardere, overbodige takken weg, maar pas onmiddellijk wondpasta toe zoals op de foto hiernaast.
Tot slot
Deze blog brengt enkel de algemene principes en voorbeelden van een beperkt aantal soorten. Deze principes zijn echter op veel meer soorten toe te passen. De boom observeren helpt al heel veel. En verder even nakijken hoe de boom reageert op snoei.
Het hele verhaal om korte naalden te verkrijgen bij dennen werd bewust achterwege gelaten. Dit is een complexe materie.
We nemen dit later op in een aparte blog.
Taal- of schrijffout opgemerkt? Laat het ons weten via support@bonsaivlaanderen.be













































Geef een reactie